Bestuiving door bijen is een mechanisch proces: tijdens het bezoeken van bloemen voor nectar en stuifmeel nemen bijen stuifmeelkorrels mee op hun lichaam en brengen die onbedoeld over naar de volgende bloem. Daar kan het stuifmeel de eicel bevruchten, waarna zaad en vrucht worden gevormd. Bijen bestuiven niet bewust — ze foerageren. Bestuiving is een bijproduct van dat foerageren, en tegelijkertijd de ecologische functie die ze onmisbaar maakt.
Wat is bestuiving?
Bestuiving is het overbrengen van stuifmeel van de meeldraden (mannelijk deel) van een bloem naar de stamper (vrouwelijk deel) van dezelfde of een andere bloem van dezelfde soort. Zodra stuifmeel op de stempel van een stamper landt en kiemt, groeit er een stuifmeembuis naar de eicel toe — waarna bevruchting plaatsvindt. Bevruchting leidt tot zaadvorming; het omhulsel van het zaad en de omliggende bloem zwellen uit tot een vrucht.
Voor planten is zelfbestuiving (stuifmeel van dezelfde bloem) mogelijk, maar kruisbestuiving — overdracht tussen verschillende individuen van dezelfde soort — leidt tot meer genetische variatie en daarmee tot veerkrachtigere populaties. Bijen bevorderen kruisbestuiving omdat ze van bloem naar bloem vliegen en bloementrouw vertonen: één foerageerster bezoekt bij voorkeur steeds bloemen van dezelfde plantensoort tijdens één foerageertocht.
Hoe draagt een bij stuifmeel over?
Het lichaam van een bij is bedekt met vertakte haren die stuifmeelkorrels mechanisch en elektrostatisch vasthouden. Bijen zijn positief elektrisch geladen tijdens het vliegen; bloemen zijn negatief geladen. Stuifmeel springt daardoor actief naar de bij toe zodra ze een bloem nadert — nog voor lichamelijk contact.
Bij het bezoeken van een bloem doet de bij actief aan stuifmeelverzameling: ze bewerkt de meeldraden met haar poten, kampt stuifmeel van haar lichaam naar de stuifmeelkorfjes op haar achterpoten en comprimeert het tot korrels. Dat stuifmeel neemt ze mee naar de kast als eiwitbron voor de larven.
Tegelijkertijd blijft een deel van het stuifmeel op haar lichaam achter — op de buik, borststuk en kop — en wordt overgebracht naar de stamper van de volgende bloem. Dit is het bestuivingsmoment: onbedoeld, maar voor de plant essentieel.
Stap voor stap: van bloem tot vrucht
- Bij bezoekt bloem voor nectar of stuifmeel. Ze landt op de bloem, steekt haar tong in de nectarklier en drinkt nectar op in haar honingmaag. Tegelijk raakt haar lichaam de meeldraden aan.
- Stuifmeel hecht aan de bij. Stuifmeelkorrels blijven kleven aan de vertakte lichaamsharen door mechanische wrijving en elektrostatische aantrekking.
- Bij vliegt naar volgende bloem. Bij bloementrouw is dat een bloem van dezelfde plantensoort.
- Stuifmeel komt op de stempel terecht. Bij het landen raakt het stuifmeel op het lichaam van de bij de kleverige stempel van de stamper. Het stuifmeel hecht.
- Bestuiving vindt plaats. Het stuifmeel kiemt op de stempel en vormt een stuifmeembuis die naar de eicel groeit.
- Bevruchting en zaadvorming. De eicel wordt bevrucht; het zaad ontwikkelt zich. De omliggende bloembladeren en wanden zwellen uit tot een vrucht — bes, appel, tomaat, peul.
Bloementrouw: waarom het efficiënt maakt
Bloementrouw — het gedrag waarbij een foerageerster bij voorkeur bloemen van dezelfde soort bezoekt — is cruciaal voor effectieve bestuiving. Stuifmeel van een appelbloem dat terechtkomt op de stempel van een rozestruik leidt niet tot bevruchting: stuifmeel is soortsspecifiek.
Bloementrouw is geen absoluut gedrag maar een sterke neiging. Ze wordt versterkt doordat de bij de geur, kleur en vorm van de productieve bloemsoort leert associëren met nectar- en stuifmeelbeloning. Bloemen die veel nectar of stuifmeel produceren worden vaker en trouwer bezocht.
Meer over de ecologische gevolgen van bestuiving lees je in Bijen en biodiversiteit: waarom bestuiving onmisbaar is.
Niet alle bloemen zijn gelijk voor bijen
Bijen kunnen niet elke bloem bezoeken. Factoren die de toegankelijkheid bepalen:
- Bloemvorm: diepkelkige bloemen zijn alleen toegankelijk voor bijen met een lange tong. Vlakke bloemen zijn voor vrijwel alle bijensoorten bereikbaar.
- Kleur: bijen zien ultraviolet licht en zijn gevoelig voor blauw, paars en geel. Rode bloemen zijn voor bijen minder zichtbaar (ze zien rood slecht), maar kunnen via UV-patronen toch zichtbaar zijn.
- Gevulde bloemvormen: sierrozen, gevulde dahlia’s en gevulde begonia’s hebben geen of nauwelijks toegankelijke meeldraden. Ze leveren bijen niets — ook al landen bijen er soms op.
Veelgestelde vragen
Wat is het verschil tussen bestuiving en bevruchting?
Bestuiving is het overbrengen van stuifmeel naar de stempel van een stamper. Bevruchting is wat daarna gebeurt: het stuifmeel kiemt, vormt een stuifmeembuis en bereikt de eicel. Bestuiving is een voorwaarde voor bevruchting, maar niet elke bestuiving leidt tot bevruchting — het stuifmeel moet van de juiste plantensoort zijn.
Kunnen planten ook zonder bijen worden bestoven?
Ja, afhankelijk van de soort. Granen, grassen en veel bomen worden bestoven door de wind. Sommige planten bestuiven zichzelf. Maar de meeste bloeiende planten die groenten en fruit produceren zijn afhankelijk van insectenbestuiving, waarbij bijen de meest efficiënte bestuivers zijn door hun bloementrouw en de manier waarop stuifmeel aan hun lichaam kleeft.
Waarom bezoeken bijen steeds dezelfde soort bloem?
Bijen leren tijdens het foerageren welke bloemsoort veel nectar of stuifmeel oplevert. Ze associëren de geur, kleur en vorm van die bloem met de beloning en bezoeken die soort bij voorkeur opnieuw — bloementrouw. Dit is efficiënt voor de bij én voor de plant: stuifmeel komt terecht op de stamper van de juiste soort.
Hoe ver vliegt een bij om te foerageren?
Een honingbij legt gemiddeld twee tot drie kilometer af per foerageertocht, maar kan in nood tot acht kilometer vliegen. Wilde bijensoorten hebben een smaller bereik: metselbijen foerageren binnen 300–500 meter van hun nest. Voor een bijvriendelijke tuin geldt: hoe dichter bij het nest, hoe groter de kans op bezoek van solitaire wilde bijen.
