Een bijenkorf — of bijenkast in imkersterminologie — is de leefruimte van een honingbijenvolk. Bijen bouwen daarin wasraten voor het opslaan van honing en stuifmeel en het grootbrengen van broed. Een gezond volk telt in de zomer 40.000 tot 80.000 bijen die elk een vaste taak vervullen. De moderne raambijenkast, uitgevonden door Langstroth in 1851, maakt het mogelijk om raten te inspecteren en te oogsten zonder het volk te vernietigen.
Wat is een bijenkorf?
In de volkstaal wordt ‘bijenkorf’ gebruikt voor zowel de natuurlijke nestplaats van wilde bijen (holle boom, spouw in een muur) als de door de imker geplaatste bijenkast. In imkersterminologie is een bijenkast het houten bouwwerk dat de imker beheert; een bijenkorf is de traditionele gevlochten strokorf die in de moderne imkerij nauwelijks meer wordt gebruikt.
Dit artikel gaat over de bijenkast als leefruimte — hoe bijen die inrichten, welke functie de verschillende zones vervullen en hoe de moderne kast is opgebouwd.
De opbouw van de bijenkast
Een moderne raambijenkast bestaat uit gestapelde bakken met beweegbare ramen waarop bijen de raten bouwen. De basisonderdelen:
- Bodem: de vloer van de kast, vaak met een vliegopening van aanpasbare breedte. Moderne bodems zijn open (met gaas) voor betere ventilatie en als hulpmiddel bij de monitoring van varroabesmetting.
- Broedruimte: de onderste bak, waar de koningin eieren legt en het broed wordt grootgebracht. Hier bewaren bijen ook stuifmeel (eiwitbron voor de larven) en een deel van de honingvoorraad.
- Koninginnenrooster: een rooster met openingen groot genoeg voor werksters maar te klein voor de koningin. Voorkomt dat de koningin in de honingbak eieren legt.
- Honingbak (super): de bovenste bak, uitsluitend voor honingopslag. De imker oogst hier de honing zonder het broednest te verstoren.
- Dak: beschermt de kast tegen regen. Binnenin vaak een plankje (dekplank) dat de warmte vasthoudt.
Hoe bijen de kast inrichten
Bijen zijn de architecten van hun eigen leefruimte. Jonge werksters (12–20 dagen oud) produceren bijenwas via klieren op hun achterlijf en bouwen daarmee de zeshoekige cellen van de raat. De zeshoek is een efficiënte vorm: maximale opslagcapaciteit met minimaal wasverbruik.
De raat heeft verschillende zones die bijen strikt van elkaar scheiden:
- Broedzone: in het centrum van de raat, omgeven door warmte. Hier worden eieren gelegd, larven grootgebracht en poppen gevormd. De koningin legt in het seizoen 1.000 tot 2.000 eieren per dag.
- Stuifmeelring: direct rondom het broed. Stuifmeel is de eiwitbron voor de larven en de jonge bijen die de klieren voor was en koninginnengelei moeten laten functioneren.
- Honingring: aan de buitenrand van de raat en in de bovenste bakken. Rijpe honing wordt verzegeld met een laagje was (gedopt) — de imker herkent dit als het oogstmoment.
Temperatuur en ventilatie
Een bijenvolk reguleert de temperatuur in de broedzone uiterst nauwkeurig: 34–35 °C, ongeacht de buitentemperatuur. Bij warmte ventileren bijen actief met hun vleugels bij de vliegopening. Bij kou vormen bijen een winterkluwenzich — een compacte groep die door spiertrillingen warmte opwekt en langzaam door de honingvoorraad beweegt.
De CO₂-concentratie en vochtigheid worden eveneens gereguleerd door ventilatie. Een te vochtige kast bevordert schimmelgroei en gisting van onrijpe honing — een reden waarom moderne imkers kiezen voor open bodems.
Communicatie in de kast
Bijen communiceren via feromonen en de beroemde waggeldans. De waggeldans — beschreven door Karl von Frisch, waarvoor hij in 1973 de Nobelprijs ontving — is een bewegingspatroon waarmee een foerageerster de richting en afstand tot een nectarbron communiceert aan nestgenoten. De hoek van de dans ten opzichte van de verticaal correspondeert met de hoek ten opzichte van de zon; de duur van het waggelgedeelte correspondeert met de afstand.
Feromonen reguleren de sociale structuur van het volk: de koninginneferomoon (QMP) onderdrukt de ontwikkeling van eierstokken bij werksters en voorkomt dat het volk nieuwe koninginnen aankweekt zolang de koningin aanwezig en productief is.
Van holle boom naar raambijenkast
De raambijenkast met beweegbare ramen werd in 1851 uitgevonden door de Amerikaanse imker Lorenzo Langstroth. Zijn ontdekking — de zogenaamde bee space van 6–9 mm waarbinnen bijen geen was of propolis aanbrengen — maakte het mogelijk om ramen zonder beschadiging uit de kast te halen. Daarvoor moest de imker bij de oogst het volk doden of de raten uit de korf breken. De raambijenkast revolutioneerde de imkerij en maakt tot op heden de basis uit van vrijwel alle moderne bijenkasten. Meer over de geschiedenis van het imkeren lees je in Geschiedenis van imkeren: van holle boomstammen tot moderne kasten.
Veelgestelde vragen
Hoeveel bijen wonen er in een bijenkast?
Een gezond volk telt in de zomer 40.000 tot 80.000 bijen. In de winter krimpt het volk tot 10.000 tot 20.000 bijen — alleen werksters en de koningin; de darren worden in de herfst het volk uitgedreven. De omvang van het volk bepaalt de honingproductie: een groot, sterk volk produceert in een goed seizoen 20 tot 40 kilogram honing.
Wat is het verschil tussen een bijenkorf en een bijenkast?
In strikt imkersterminologisch gebruik is een bijenkorf de traditionele gevlochten strokorf — een historische vorm die in de moderne imkerij nauwelijks meer wordt gebruikt. Een bijenkast is het houten bouwwerk met beweegbare ramen dat tegenwoordig standaard is. In de volksmond worden beide termen door elkaar gebruikt.
Hoe weet de imker wanneer honing oogstbaar is?
Rijpe honing heeft een watergehalte van maximaal 20% — de grens die de EU-honingrichtlijn stelt. Bijen verzegelen rijpe honingcellen met een dun laagje was (doppen). Een imker oogst wanneer minstens twee derde van de cellen in de honingbak zijn gedopt. Onrijpe honing die te vroeg wordt geoogst heeft een te hoog watergehalte en kan gisten.
Waarom bouwen bijen zeshoekige cellen?
De zeshoek is de meest efficiënte vorm voor het inpakken van cirkelvormige buizen in een vlak oppervlak: maximale opslagcapaciteit met minimale hoeveelheid materiaal (bijenwas) voor de wanden. Computersimulaties en wiskundige analyses bevestigen dat de honingraat de geometrisch optimale oplossing is voor dit probleem — een eigenschap die al in de oudheid werd opgemerkt door onder andere Pappus van Alexandrië.
